(Door Henk Arnold) Waza ( 技 , techniek) elke (krijgs)kunstenaar krijgt er mee te maken. Vanaf de eerste seconde wordt de jonge leerling al verteld hoe hij moet buigen en met welke voet hij de dojo moet binnenstappen. Nog onwetend over de immense diepte van deze waza, volgt hij braaf de instructies op van zijn leraar. Of dat nu instructies zijn over het zwaard, de bo, een kwast of hoe men een kopje thee zet, maakt voor dit verhaal niet uit.

Waza – het alfabet van de kunstenaar

Waza

In eerste instantie leert de leerling technieken (waza). Hij zal er achter komen dat waza de drijfveer is van iedere kunst. Waar kata het woordenboek is, zijn waza de letters. De leraar zal blijven hameren op een juiste uitvoering van de waza. Vaak ondersteunt met de stelling: ‘1000 dagen om een waza te leren. 10.000 dagen om hem te polijsten (vervolmaken).’

Hoewel de fixatie op een goede waza niet uniek is voor de Japanse kunst, is de gedrevenheid waarmee deze waza wordt beoefend wel kenmerkend voor de Japanse kunsten. Waza wordt binnen de Japanse kunst, in tegenstelling tot westerse kunsten, tot in den treuren beoefend en zal vele leerlingen ontmoedigen.

Vaak zijn het maar enkele leerlingen die zich zonder zichtbaar doel een leven lang kunnen laven aan dagelijkse training. Voor diegene zal het oefenen van waza een andere betekenis krijgen. Waar het eerst een manier was om technische volmaaktheid te bereiken, zal het voor sommige beoefenaars omslaan naar een viering van het moment. Een moment waarop de techniek wordt gebruikt om een onnoembaar gedeelte tot uiting te brengen. Alleen in dat moment wordt de krijgskunst met recht kunst.

Wanneer waza kami-waza wordt!

Musashi schreef hierover in de vertaling van Kenji Tokitsu:

Het is dat moment waar de beheersing van de beweging, postuur, gedachten, adem, samenkomen als één ondeelbare eenheid.

In de kunststroming vertaalt men het als volgt: niet aflatende herhaling van technische handelingen is de manier waarop een beoefenaar vooruitgang boekt op zoek naar de perfectie die hij zoekt.

Voor de Japanner geldt dat – aangaande kunst – perfectie menselijk is en fundamenteel gelinkt aan techniek. Dit zie je overal terug in de Japanse kunstvormen, of dat nu de martiale arts zijn, bloemschikken, kalligrafie of schilderen enz.
Op dit allerhoogste niveau schikt een mens zich naar het ritme van het universum, waar hij onlosmakelijk – net als alle dingen – mee is verbonden. Men noemt dit kami-waza (神技, goddelijke techniek). Hier gaat een persoon totaal op in de handeling die hij uitvoert. De uitgevoerde handeling van het moment is het enige wat bestaat.

Een vertaling van het woord waza uit de Kokugo dai-jiten verteld ons dat waza betekent: een betekenisvolle handeling die wordt uitgevoerd met gerichte intentie; iets bewust uitvoeren. In deze vertaling ziet men duidelijk dat de handeling (en dus de mens) zich in de techniek bevindt. Lichaam en geest worden dan gezien voor wat ze werkelijk zijn: een onnoembare eenheid. Zo ontstaat spontaan en zonder moeite de goddelijk techniek, het 30 jaar eindeloos herhalen buiten beschouwing gelaten.

Het is mijn bescheiden mening, dat dit het doel moet zijn van iedere serieuze beoefenaar in welke kunst dan ook. En dat de rol van een stimulerende leraar maar tot zekere hoogte wenselijk is.

Goede techniek: Henk Arnold snijdt komkommer op armen, borst en nek tijdens de demonstratie in Bercy, 2013, voor 12.000 toeschouwers

Eenwording met de techniek

Indien – op de wijze waarop Musashi dat beschrijft – technieken dagelijks worden getraind, zal het uitvoeren van de technieken op zichzelf uitermate vervullend zijn. De uitvoering van techniek zal dan spontaan, vrij en ontdaan zijn van alle regels, die even daarvoor nog zo belangrijk leken, de cirkel is dan rond.

Het verwerven van kami-waza is te vinden in het herhalen van de alledaagse handelingen. Het is de beoefenaar zelf die het (kami-waza) zal herkennen wanneer het zich aandient. Hij zal het herkennen in de “belangrijkste” onderdelen van zijn kunst: een zwaardslag, een streek met een penseel of het zingen van de juiste noot, maar ook in de andere onderdelen van zijn training: het buigen voor de kami, het schikken van de sageo, het uitvoeren van noto, het maken van inkt.

Al zijn handelingen zullen een uitdrukking zijn van kami-waza. Op deze wijze wordt het kleinste onderdeel verheven tot het grootste en de grootse tot het kleinste. De vergelijking met Zen komt hier duidelijk aan het licht.

Door de beoefening van de techniek realiseert de beoefenaar zijn ware natuur. Door deze realisatie worden zijn technieken vrij.

Overgenomen uit een e-mail van Henk Arnold
aan de Ogami dojo leerlingen


Afbeeldingen door Matthijs

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.